Nieuw boek brengt oeuvre van Kuiler en Drewes in kaart
"Bertus Fennema Strikes Again!" schreef Marcel Westhoff in juli 2023 naar aanleiding van het verschijnen van een boek over architect Eppe van der Molen van de hand van oud-burgemeester Bertus Fennema. Een jaar later publiceerde Fennema een kloek boek over de architecten Tamme van Hoorn en Jan Benninga (door tijdgebrek niet besproken op Wendingen) en nu is het alweer raak: Kuiler en Drewes!
Kuiler en Drewes zijn bij Amsterdamse Schoolliefhebbers ongetwijfeld bekend van de imposante Oosterkerk in Groningen. Uit het nieuwe boek blijkt dat dit gouden duo uit Groningen een duizelingwekkend aantal panden heeft ontworpen.
Fennema "kende" Kuiler en Drewes al als kind omdat hij naar school ging in de in 1951 door het bureau in Leens ontworpen lagere school. Later woonde Fennema in Sauwerd, waar meerdere gebouwen van Lucas Drewes en/of Jan Kuiler staan. Hij wilde zijn onderzoek naar de architecten klein houden, maar dat kennen we bij Wendingen: er kwam zo veel interessante informatie naar boven uit oude kranten, archieven en registers, dat het nu gepubliceerde boek maar liefst 256 bladzijden telt. En dat terwijl de archieven van het bureau niet eens konden worden geraadpleegd, simpelweg omdat ze er niet meer zijn.
Samenwerking
Het architectenbureau Kuiler en Drewes werd opgericht in 1916. In dat jaar sloot Drewes, geboren in 1870, zich aan bij de jongere Kuiler, geboren in 1883. Sinds 1904 waren zij allebei in dienst geweest bij de gemeente Groningen als bouwkundig opzichter, waardoor zij elkaar goed gekend zullen hebben voordat zij de samenwerking aangingen. De naam van Drewes komt al voor in aanbestedingen vanaf 1895 en Kuiler was sinds 1911 zelfstandig architect in Groningen. Hij had in 1916 al een behoorlijk aantal ontwerpen op zijn naam staan, onder meer in Zwolle (!), Haren en Groningen stad. Uit het boek blijkt, dat hij binnen het bureau verantwoordelijk was voor veel van de meest opvallende ontwerpen.
Het boek volgt in twee hoofdstukken de sporen van de twee architecten vanaf hun geboorte via hun opleidingen naar hun eerste werkervaring en eerste ontwerpen. Van elk pand wordt het adres en jaartal genoemd, met vermelding van de opdrachtgever en andere bijzonderheden. Dit geldt voor het hele boek. Steeds zijn één of meer foto's van het betreffende pand opgenomen, soms vergezeld van een historische foto, soms van een bouwtekening.
Dat Kuiler en Drewes de Amsterdamse School naar Groningen zouden vertalen, lag niet meteen voor de hand en zij zijn ook zeker geen typische Amsterdamse School architecten, voorzover die überhaupt bestaan. Daarvoor is het aantal panden dat zij in die stijl ontwierpen te klein. Drewes was voor het aangaan van de samenwerking meer actief als opzichter en bouwde nauwelijks. Jan Kuiler had belangstelling voor bouwstijlen uit het verleden en veel van zijn vroege panden hebben historiserende kenmerken. De etagewoningen die hij in de eerste jaren van zijn eigen bureau in Groningen stad ontwierp, zijn over het algemeen sober en duidelijk herkenbaar als architectuur uit de jaren rond 1910, waarmee overal in de grotere steden in Nederland hele straten werden gevuld om de groeiende bevolking te huisvesten.
Amsterdamse School
In de eerste jaren na hun associatie in 1916 ontwierpen Kuiler en Drewes bedrijfs- en utilitaire gebouwen. Door de Eerste Wereldoorlog was de woningbouw in Groningen stad grotendeels stilgevallen. Na de oorlog gingen zij echter een grote rol spelen bij de bouw van nieuwe stadswijken als de Korrewegwijk, de Oosterparkwijk en de Schildersbuurt. Er kwamen ook opdrachten voor grote gebouwen, zoals de Noorderkerk aan de Akkerstraat (1919) en het imposante bankgebouw aan de Vismarkt (1923) in een voor Nederland zeldzame verwijzing naar Egyptische en Assyrische bouwkunst. Het Odd Fellowhuis uit 1923 werd hun eerste Amsterdamse School gebouw en wel zeer uitgesproken. Eigenlijk ging het overigens om een ontwerp van Kuiler alleen, die lid was van de vrijmetselaarsloge die in het pand werd gevestigd. De Amsterdamse School vormde ook een grote inspiratiebron voor een fabriek aan de Helper Molenstraat (1925, helaas afgebroken). Volgden het bekende bakstenen woonblok aan de Turfsingel (1926) en het hoogtepunt in deze stijl, de Oosterkerk en aanpalende gebouwen aan de S.S. Rosensteinlaan (1926-1927). Daarop werden nog bijzondere bakstenen gebouwen ontworpen aan de Viaductstraat (1927) en de W.A. Scholtenstraat (fabrieksgebouw, 1930), maar de panden werden allengs strakker of ronder (school Hoendiepsekade) of strakke gebouwen werden voorzien van een speelse ronding (Hofstede de Grootkade).
Het is fascinerend om de hoeveelheid etagewoningen en herenhuizen te zien die Kuiler en Drewes rond deze tijd voor vermogende kopers en huurders in Groningen stad hebben gebouwd. Als huisarchitect van de Stichting Bouwvereeniging Samenwerking en in opdracht van de gemeente was het bureau bovendien betrokken bij de bouw van honderden huurwoningen in onder meer de Oranjebuurt: "kwalitatief goed gebouwd, veelal in strakke monotone series in een lint zonder expressieve uitingen", schrijft Fennema.
Ontwerpen in Haren
Een apart hoofdstuk is gewijd aan de ontwerpen van Kuiler en Drewes in Haren, waar Kuiler vanaf 1917 woonde. Kuiler was al meteen na de oprichting van zijn eigen bureau voorkeursarchitect in Haren. Zoals te verwachten in het welvarende Haren, bouwde het duo hier tientallen landhuizen en villa's. Hierbij werden "met grote speelsheid ingrediënten van verschillende bouwstijlen toe(gepast), zoals van een historiserende stijl als UM 1800, van de Amsterdamse School, van de Engelse landhuisstijl, van de Chaletstijl en van de Delftse School", aldus Fennema. Tussen de talloze kleinere en grote villa's valt natuurlijk het rijksmonument Julianalaan 11 ("Lindenhof") uit 1931 op, een mengeling van Gooise landhuisstijl en Amsterdamse School. Rijksstraatweg 12 uit 1929 ("Esserhuis", een gemeentelijk monument) is een prachtig voorbeeld van een villa in de stijl van de Amsterdamse School. Maar niet alleen voor de vermogenden in Haren werd gebouwd. Kuiler en Drewes ontwierpen ook sociale woningbouw in opdracht van een stichting. Na Haren maakt het boek een uitstap naar werken elders in de provincie Groningen (Bedum, Loppersum) en daarbuiten. Panden van Kuiler en Drewes zijn aangetroffen in Norg, Amsterdam, Arnhem en zelfs op Schiermonnikoog (Badweg 115).
Hoewel Jan Kuiler uit het boek duidelijk als drijvende kracht achter het architectenbureau naar voren komt en een aantal unieke ontwerpen vooral uit zijn koker blijken te komen, verruilde hij in 1944 Groningen voor de Veluwe en later Zeeland om zich volledig aan de schilderkunst te wijden. Tijdens de laatste dertien jaar van zijn leven kreeg hij zelfs enige bekendheid door zijn schilderijen van Walcheren. Drewes ging vervolgens samen met Jan Port en Pieter Hoekstra verder, nog steeds onder de naam Kuiler en Drewes. Het bureau kreeg opdrachten voor sociale woningbouw in Groningen stad en Appingedam en voor een aantal kerken en scholen, waaronder de school in Leens waar de schrijver de lagere school doorliep. De laatste opdracht dateert van 1955. Drewes ging met pensioen en overleed in 1969.
Verschillende bouwstijlen
In het oeuvre van Kuiler en Drewes komen zo veel verschillende bouwstijlen voorbij, dat Fennema het nuttig achtte om het overzicht van leven en werken van de architecten te laten volgen door een overzicht van de verschillende bouwstijlen in Nederland tussen 1918 en 1940. Berlage wordt aangehaald, de Amsterdamse School, het Nieuwe Bouwen, het Traditionalisme en de Delftse School. Uiteraard ook Frank Lloyd Wright en Dudok. Het overzicht wordt afgesloten met een bespiegeling over de vraag onder welke noemer we de scheppingen van Kuiler en Drewes kunnen onderbrengen. Dit is nog niet zo makkelijk. Paraplubegrippen als "Interbellum-architectuur" en "Gooise-Landhuisstijl" lijken soms namelijk uit ongemak geboren, zo signaleert de schrijver. Uiteindelijk blijken de meeste bouwwerken moeilijk in te delen. Dit staat de waardering zeker niet in de weg: van de zestien rijksmonumenten zijn de bouwstijlen zeer gevarieerd. Op basis van deze rijksmonumenten, de vele gemeentelijke monumenten en de panden die in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project zijn geselecteerd, alsmede het totaal aantal werken overziend, concludeert Fennema dat Kuiler en Drewes in de eerste helft van de twintigste eeuw een bijzonder waardevolle bijdrage hebben geleverd aan de geschiedenis van de architectuur in Groningen.
Ik heb genoten van het boek, dat een enorme bron van informatie over Kuiler en Drewes vormt en een aansporing is om de wijken van Groningen te verkennen en met eigen ogen panden van het duo te (her)ontdekken. Het boek is uitstekend geschreven, meestal feitelijk, soms persoonlijk, wat het afwisselend maakt. De opmaak is duidelijk en overzichtelijk. De foto's van Harry van der Werff zijn technisch van goede kwaliteit. Niet altijd waren de weersomstandigheden ideaal voor het maken van foto's, wat nogal eens tot sombere plaatjes van op zich al vrij sombere bakstenen blokken leidt. Maar ik weet hoe veel jaren het kan kosten om panden in mooi licht en zonder storende objecten vast te leggen. Misschien was er ook niet heel veel tijd om de foto's te maken. In een enkel geval, bijvoorbeeld bij prachtpanden als de Lindenhof en het Esserhuis in Haren, is dat wel spijtig. Uiteraard was ik verheugd, een foto van mij (een raam in de Oosterkerk) aan te treffen. Wel jammer dat Wendingen niet bij de internetbronnen staat genoemd. Leverde onze site dan helemaal geen bruikbare informatie?
Ik kijk uit naar Fennema's volgende boek over een architect uit Groningen. Evert Rozema staat al jarenlang bovenaan mijn persoonlijke lijst.
Bertus Fennema, Kuiler en Drewes, architecten te Groningen, 1912-1955. Creatief en zakelijk (NoordPRoof Producties Bedum, 2026).








