terug naar alle blogs

Formes Urbainesdoor: Niko Koersgepubliceerd op: 3 juni 2015

Formes Urbaines

Uit Panerai, Castex, Depaule: Spaarndammerbuurt: De Klerk (A 1913, B 1913-1914, C 1913-1917), Walenkamp (D 1919), De Bazel (E 1919-1921)

 

Wat mij trof in het boek FORMES URBAINES van Panerai, Castex en Depaule waren de volgende kwesties.

Amsterdam in internationaal perspectief

Allereerst de hoofdstukindeling zelfal: van Haussmann, via Garden Cities naar het ‘laatste moment van de traditionele stedenbouw’ (waarover later meer) van de Amsterdamse Stadsuitbreidingen. En vervolgens naar de strokenbouw in Frankfurt. Ik was gewend geraakt/gemaakt aan een soort emancipatie van het bouwblok naar de strook. Dat was nog een restant van mijn Delftse opvoeding op Bouwkunde. 

Maar ik heb zeer aan den lijve de neergang van de strook mogen meemaken en ook mogen helpen de strook om zeep te brengen, waarover geen enkele wroeging. Onder stadsvernieuwingswethouder Schaefer was het zo dat men moest argumenteren waarom er niet een gesloten bouwblok gemaakt zou worden, immers: sociaal veilig, met een fijne stille kant en passend in de stad. Hoe diepgeworteld de strook als hoogste stedenbouwkundige wijsheid in zo’n vijftig jaar tijd was geworden (in m.n. Nederland!) geeft een aardige anecdote aan met Rob Krier in de hoofdrol. Bij het ontwerpen aan Leidsche Rijn werden er ontwerpateliers (z.g. charettes) ingericht, met insprekers en bankiers naast ontwerpers. Krier leidde een ervan, doch hij kroop in een donkere hoek en bemoeide zich nergens mee. Het enige dat hij om de zoveel tijd riep was: ‘No zoning!’ en ‘No slabs!’ En inderdaad, dat is de Nederlandse Pavlov-reflex: altijd maar weer zoneren (functiescheiding) en stroken ontwerpen. Aan het einde van de week keek hij nauwelijks naar wat zijn groep had geproduceerd en had hij zelf een volledig dorp uitgetekend met gearceerde kappen en straatjes en pleinen.

Traditionele of revolutionair moderne stedenbouw?

Terug naar FORMES URBAINES: ‘het laatste moment van de traditionele stedenbouw’ wordt door de auteurs gezet tegenover de CIAM-indoctrinatie die begon met Siegfried Giedeon. Deze zette dit soort stedenbouw als afgedaan in een hoekje. Het heeft ons veel slechts gebracht. Terwijl de ‘laatste Amsterdamse stadsuitbredingen/bouwblokken' in hun doel en in hun middelen (dus niet hun vorm) door Panerai, Castex en Depaule als modern en vooruitstrevend worden omschreven. Dat was nieuw voor mij; ik vond dat een hele belangwekkende nuance. 

Modern daar is dat woord alweer. We komen er steeds weer op als we het over de Amsterdamse School hebben. Ook belangwekkend te meer daar Panerai, Castex en Depaule al beginnen over modern bij Haussmann, en terecht. Echter daar wordt het nog gebruikt als modern ten behoeve van de – wat zij noemen – de burgerlijke stad. En ook Haussmann had niet alleen maar functionele argumenten, maar ook die van gezondheid, schoonheid, welbevinden en – zeker ook – repressie van opstandige elementen. De modernisering in de vroege twintigste eeuw schrijdt niet alleen in technische en economische zin voort. Het revolutionaire van de Amsterdamse School (lees in dit verband: in de Amsterdamse stadsuitbreiding) is de emancipatie van de arbeidersklasse, het gemeenschappelijke van het grondbezit, de culturele emancipatie. Architectuur van massawoningbouw als revolutionaire daad was een volstrekt nieuwe vondst. Nu kijken we daar misschien op neer, na alles dat daarna gekomen is. In de ogen van Marxisten was de arbeidersklasse in de negentiende eeuw twee keer verraden door de bourgeoisie: in de Franse Revolutie en nog eens in 1848. Dat moest niet nog eens gebeuren. Het bepaalde de vormen van revoluties en omwentelingen na de eerste wereldoorlog. Ook in Nederland. Het is mooi dat de auteurs dat aspect eruit halen. 

Relatie architectuur en stedenbouw

Architectuur, stedenbouw en revolutie. Waarom niet? Panerai, Castex en Depaule wijzen op de vaste verbinding tussen architectuur en stedenbouw in de Amsterdamse stadsuitbreidingen. Ook een eye opener voor mij, ook al wist ik dat natuurlijk wel, ergens. Maar de vraag is dan: hoe precies, hoe werkte dat. Ik heb dat altijd opgevat als een conditionering: namelijk dat stedenbouw aan architectuur vooraf gaat. Richelle Wansing stelt dat aan de orde. Stel dat dat andersom was. Dat die stedenbouw alleen maar kon bestaan omdat de architectuur tot andere middelen was gekomen? Wat dan? Goeie vraag! Immers wat bij de architectuur van woningen voor de massa aan de orde is, is het vormgeven van het collectief en het tegelijkertijd emanciperen van de individuele woning. Precies dát zie je in de Spaarndammerbuurt gebeuren. De verhouding individueel/collectief verschilt van corporatie tot corporatie (van de socialisten tot de hervormden: van De Klerk tot Walenkamp) en van corporaties tot stad (staat): de gemeenschapswoningen van De Bazel met hun collectieve voorzieningen.

In welke verhouding dan ook, individuele woning en collectief (blok) heeft in de Amsterdamse stadsuitbreiding vorm gekregen met de stadspaleizen van De Klerk aan het Spaarndammerplantsoen als sterkste voorbeeld. Dus anders dan het vermenigvuldigen van individuele woningen (Garden Cities) of portieken/gebouwen (Le Style Haussmannien). Daarvan zijn in de geschiedenis niet zoveel voorbeelden tot dan toe. Misschien de rococo-pleinen in Rome (Piazza del Popolo, Piazza Ignazio, de Sopaanse Trappen, of de Crescents in Bath. En dan dus het Spaarndammerplantsoen! Voor de arbeider! Als dat geen revolutie was. Ja mogelijk nog één andere, maar niet minder revolutionair voorbeeld: de Familistères in Guise van Godin/Fourier, gemodelleerd naar Versailles en ook voor arbeiders, voor een collectief.  

Hetgeen me dan weer op nog een interessante verbinding brengt, namelijk: Godin/Fourier -  Walden/USA was erdoor geïnspireerd en die inspireerde weer Frederik van Eden. Dan is de stap naar Amsterdamse School ook niet ver meer.

Kortom: het lijkt heel vruchtbaar om architectuur en stedenbouw eens om te draaien. Het levert veel op. En het is waarschijnlijk ook heel reëel om dat te doen: stedenbouw is een veel jongere discipline (let op: niet praktijk, maar discipline) dan architectuur. En wij staan daar inmiddels heel anders in dan de architecten aan het begin van de twintigste eeuw.

Philippe Panerai, Jean Castex, Jean-Charles Depaule, FORMES URBAINES, Paris, Éditions Parentheses, 1997, 2012, ISBN 2-86364-602-8.

Idem, URBAN FORMS, ...

Spaarndammerbuurt: De Klerk (A 1913, B 1913-1914, C 1913-1917), Walenkamp (D 1919), De Bazel (E 1919-1921)