terug naar alle blogs

Stedenbouwdoor: Richelle Wansinggepubliceerd op: 1 juni 2015

Stedenbouw

Tweede blok van Michel de Klerk aan het Spaarndammerplantsoen. (Foto: Museum Het Schip)

Stedenbouw

In Formes Urbaines (Castex, Depaule & Panerai, eerste druk 1980) wordt gesteld dat Amsterdam in de jaren 1913-1934 een belangrijke stedenbouwkundige ontwikkeling doormaakt. Er raakt een nieuwe benadering in zwang waarbij de stad niet langer beschouwd wordt vanuit de grootstedelijke centrumkern, maar waarbij gedacht wordt vanuit wijken met gedifferentieerde functies, wijken die als nieuwe stedelijke kernen gaan functioneren. Dit nieuwe begrip van de stad zou aanzet geven tot een nieuwe stedelijke ontwerpopgave.

In Formes Urbaines wordt een beschouwing gegeven van twee nieuwe stedenbouwkundige gebieden in Amsterdam, de Spaarndammerbuurt en Plan Zuid, die echter beide als ‘traditionele stedenbouwkunde’ worden geclassificeerd. Traditioneel omdat ze denken vanuit de eenheid van het îlot. Traditioneel omdat de nieuwe stedenbouwkundige opgave niet wordt opgelost door het feitelijke stedenbouwkundige ontwerp. Gesteld wordt dan ook dat het niet de stedenbouwkunde, maar de architectuur is die zich tot oplossing ontwikkelt. Vervolgens wordt een onlosmakelijk verband gelegd tussen ‘stedenbouw’ en ‘Amsterdamse School’. Het nieuwe stedenbouwkundige denken introduceerde de opgave die de architectuur wist op te lossen. De opgave van de gedifferentieerde stad.

De nieuwbouw in de Spaarndammerbuurt naar het uitbreidingsplan van Van der Mey. In Formes Urbaines wordt genoemd dat zich een verschuiving voordoet van de doorgaande hoofdstraat als centrum van de wijk, naar het plantsoen als centrum van de wijk. Hieruit zou een nieuwe ontwerpgave volgen: stedelijke architectuur die uiting geeft aan de centrumfunctie van het park. Een nieuwe stedelijke ontwerpopgave waarvoor Michel de Klerk tot een fantastische oplossing wist te komen. Maar klopt het wel dat het ontwerpen van ‘plantsoenarchitectuur als stedelijk centrum’ hier de architectuuropgave voor Michel de Klerk was? Valt de stelling niet om te draaien, namelijk dat het plantsoen als zogenaamd centrum het resultaat is van de architectuur van Michel de Klerk?

Het uitbreidingsplan van Van der Mey voor de Spaarndammerbuurt was weinig vernieuwend. Slechts door latere wijzigingen zouden het Zaanhof en Zaandammerplein ontstaan. Het plantsoen stond wel reeds van meet af aan op het uitbreidingsplan ingetekend, maar was dat niet louter als noodzakelijke voorziening? De nieuwe stedelijke opgave zoals deze door de gemeentelijke vernieuwers werd opgepakt, richtte zich namelijk op een geheel ander soort nieuwe ‘centra’, namelijk die van de binnenruimte. Zowel het Zaanhof als het Zaandammerplein karakteriseren zich door semi-besloten binnenruimtes. Een hart waar geleefd kan worden. Deze semi-besloten binnenruimtes werden zonder meer als belangrijke stedelijke ruimtes opgevat. Als dit de belangrijkste nieuwe stedelijke ruimtes waren, in hoeverre gold dat dan voor een plantsoen?

Golden plantsoenen en parken niet veeleer als noodzakelijke voorzieningen dan als nieuwe centra? De belangrijkste parallel voor het uitbreidingsplan van Van der Mey is het Plan Zuid van Berlage. Het eerste plan dateerde uit 1903 of 1904. Gelden groenvoorzieningen daarin als centra? En in het latere plan? Oftewel, is er een parallel te vinden voor de veronderstelde centrumfunctie van het plantsoen? In Berlages ontwerpopvatting gold architectuur als het omsluiten van ruimte. Dit idee is door te trekken naar zijn opvatting van stedenbouw. De Coöperatiebuurt in de Nieuwe Pijp, het enige stukje van Zuid dat werkelijk naar Berlages oorspronkelijke plan voor Zuid is gerealiseerd. Als je vanaf de Jozef Israëlskade de P.L. Takstraat ingaat, dan keer je de rug toe naar de monumentale waterzijde en begeef je je in de richting van een meer secundaire, meer binnenruimte-achtige omgeving. Middenin de buurt ligt het semi-besloten Coöperatiehof, niet voor niets het hart van de buurt. Straten en pleinen zijn opgaven van ruimteomsluiting. Tuinsteden en hofbouw zijn opgaven van ruimteomsluiting. Uit Berlages ‘oefeningen in beslotenheid’ lijkt niet te volgen dat een park gezien zou worden als nieuwe stadskern. Sterker nog: in het uit 1915 daterende ontwerp ligt het geplande park aan de zuidrand van het uitbreidingsplan, aan de rand van de stad, ogenschijnlijk zonder in relatie te staan met de bebouwing.

Wat Michel de Klerk doet aan het Spaarndammerplantsoen, lijkt haaks te staan op Berlages opvatting van ruimte-omsluiting, die immers aan het plantsoen als stedenbouwkundige ruimte voorbij lijkt te gaan. De Klerk schept stedelijke ruimte. Ogenschijnlijk als oplossing voor de stedenbouwkundige opgave van de gedifferentieerde stad, zo wordt gesteld in Formes Urbaines – het plantsoen als nieuwe functie – maar in het Amsterdamse discours lijkt het plantsoen geheel buiten beschouwing gelaten. Kan dan wel gesteld worden dat de Amsterdamse School tot ontwikkeling kwam door de nieuwe ontwerpopgave van de gedifferentieerde stad? Of geldt een andere ontwikkelingsvoorwaarde, namelijk de notie dat het creëren van (stedelijke) ruimte de opgave is van alle architectuur? De architectuur van Michel de Klerk zou dan gewoonweg de potentie hebben gehad om nieuwe ruimtes te creëren. Het ‘Spaarndammerplantsoen als stedelijk centrum’ lijkt dan ook in de eerste plaats een zelfstandige verdienste te zijn van de architectuur.

In plaats van zich binnen de grenzen van de door de stedenbouwkunde geponeerde stedelijke opgave te bewegen, lijkt de Amsterdamse School deze juist verre te overstijgen: zij denkt niet vanuit de notie van de gedifferentieerde stad, maar vanuit de notie van stedelijke ruimte. Differentiatie is niet de opgave, maar is een gegeven. De opgave ligt in het tot uiting brengen van differentiatie in de zin van stedelijke dynamiek. Ruimte is niet statisch, maar vloeiend. De Amsterdamse School overstijgt hiermee het stedenbouwkundige concept van de gedifferentieerde stad.

___

Castex, J., Depaule, J. & P. Panerai 1997. Formes Urbaines; de l'îlot à la barre.