terug naar alle blogs

Reizen en inspiratiedoor: Richelle Wansinggepubliceerd op: 3 augustus 2015

Reizen en inspiratie

In 1906 vertrok Michel de Klerk naar Londen om werk te zoeken, dat hij er niet vond. Moderne architectuur vond hij er evenmin. De moderne architectuur was zijns inziens alleen op het platteland te vinden, in de vorm van moderne landvilla’s. Het enige wat hij in Londen vond, was een stad die hij verafschuwde. Zo schreef hij in een brief aan Lea Jessurun, met wie hij later in 1910 zou trouwen:

“Li, zoo als je bemerkt hebt, heb ik geen lust om hier te leven zeker niet zoo als ik er nu voorsta, niet dat een verlangen naar mijn vaderland en Moederstad mij terug roept verre van dat maar je weet dat ik een stad tochal zoo onnatuurlijk vind en niet London wat niet meer dan een mierennest is, je hebt hier tien maal ergers dan hetgeen Pluizer’s Kleine Johannes laat zien, verdiep je daar maar niet in het zou treurig zijn voor een tijd die je door gelukkigere gedachten zou kunnen doorbrengen.” [1]

Het weinige succes dat Londen was, heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat De Klerks volgende reizen naar Denemarken en Zweden zouden gaan. De Klerk trok zijn eigen plan en volgde niet de klassieke of beproefde weg naar Italië en Rome, zoals Berlage dat eerder wel deed. Niet alleen verschilde hun bestemming, ook het soort inspiratie dat ze opdeden was van andere aard.

De Klerk lijkt zijn inspiratie vooral te hebben gezocht in vormen en toepassingen. Daar waar hij een enorme vormenrijkdom aantrof, putte hij inspiratie uit. Van de Scandinavische cultuur tot de Indonesische cultuur, van de vormenrijkdom van de Art Nouveau tot de eigen Nederlandse (onder andere zeventiende-eeuwse) cultuur. De architect diende zijn inbeelding en genie te gebruiken om vormen op een organische wijze met elkaar te verbinden. Schoonheid ligt besloten in het spel der vormen. Daarom verliest de grote kunst van de vroegere culturen haar schoonheid niet: het spel der vormen is eeuwig en universeel. De Klerk deed een rijkdom aan mogelijkheden op. Vormbegrip en vormtoepassing waren voor hem de bouwstenen om het ‘spel der vormen’ te kunnen uitoefenen. Om vormen tot natuurlijke ‘organismen’ uit te bouwen.

Waar De Klerk zelf creëerde (het organische principe toepaste), zocht Berlage ernaar de natuur zo treffend mogelijk na te volgen (om bestaande organische structuren na te bootsen). Berlage zocht er niet naar nieuwe organismen te vormen, zoals De Klerk dat nastreefde, maar zocht er juist naar bestaande organische structuren te doorgronden en die structuren na te volgen. Berlage deed bijvoorbeeld inspiratie op in de steden uit de Italiaanse Renaissance. Het Palazzo Vecchio in Florence en het Palazzo Pubblico in Siena behoorden tot de mooiste dingen die Berlage in Italië zag. Alles kwam daar samen: pleinen, torens, ruimte en stad. In 1892 hield Berlage de voordracht ‘De kunst in stedenbouw’, over de stedenbouwkundige ideeën van Camillo Sitte. Bij stedenbouw moesten esthetische principes gevolgd worden, anders kreeg men steden waar slechts gevels werden opgetrokken, in gesloten eenheden gebouwd werd. In plaats daarvan moesten pleinen, straten en openbare ruimte ontworpen worden. Toren en plein maakten voor Berlage onderdeel uit van de organische structuur van de stad. Een voorbeeld dat hij dan ook graag heeft nagevolgd: het Hoofddorpplein (Amsterdam), het Mercatorplein (Amsterdam) en de Beurs van Berlage.

De stad als organisme, zo zullen Berlage en De Klerk het beiden hebben gezien. Maar Berlage zal dan hebben gedacht aan de steden waar op zijn reizen verliefd op was geworden, die hij probeerde na te bouwen. De Klerk zal aan een nieuwe stad hebben gedacht. En dat lijkt dan ook precies te zijn wat De Klerk heeft gedaan: door middel van zijn vrije ontwerpen bouwde hij aan een nieuwe stad. Een natuurlijke stad. Niet bedacht, maar intuïtief gegroeid.

__

[1] Uit De kleine Johannes, wanneer Pluizer aan Johannes de stad laat zien: “Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige nevel in de straten neer. En op die straten liepen de menschen als groote, zwarte mieren haastig dooreen. Een verward gerucht steeg dof en aanhoudend uit hun massa op. ‘Zie Johannes,’ zei Pluizer, ‘is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allen menschen en al die huizen zoover je zien kunt, nog verder dan die blauwe toren daar, zijn ook vol menschen, van boven tot beneden vol. Is dat niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierenhoop.

Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot verschrikkelijk monster vertoond werd. Het was hem alsof hij op den rug van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stroomen en den donkeren adem uit honderd neusgaten zag stijgen. En hij werd bang voor het onheilspellend grommen der ontzaglijke stem.” (Frederik van Eeden 1954. De kleine Johannes, p.86.)

 

Foto: Palazzo Vecchio, Florence. ("Firenze.PalVecchio05" by JoJan - Own work. Licensed under CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons - https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Firenze.PalVecchio05.JPG#/media/File:Firenze.PalVecchio05.JPG)