Introductie

Een persoonlijke biografie door Margreet Buehre-Andriessen. Een zo kernmerkende en schrijnende jeugd. Betere foto's volgen nog.

Gegevens

Voorna(a)m(en) Miel
Achternaam Buehre
Geboortejaar 1894
Sterftejaar 1977
Geboorteplaats Amsterdam
Kwalificaties Meubelontwerper

Biografie

De hier afgebeelde meubels, uitgevoerd in de vereenvoudigde stijl van de Amsterdamse School zijn gemaakt door Miel Buehre. Ze waren voor eigen gebruik bestemd. De laatste foto stelt voor een allegorische voorstelling van de stad Amsterdam, ontwerp Hildo Krop, uitvoering Miel Buehre. Het is nog steeds te bewonderen in het voormalig stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal.

Eigenlijk had hij net als zijn vader losse havenarbeider moeten worden.

Dat hoorde zo in de standenmaatschappij van plm. 1924. Hij kwam echter op het juiste moment bij een meubelbedrijf een baantje als leerjongen vragen, ze konden er wel een gebruiken en zo rolde Miel als 13-jarige jongen de meubelmakerij in.

Het gezin Buehre woonde in de St. Nicolaasstraat. Ze waren katholiek en had zeven kinderen. Niks bijzonders in die tijd want ook arme niet-katholieken hadden een hok vol. De Buehres bewoonden een één-kamerwoning. In het keukentje was ook de poepdoos met houten deksel. Bij de maaltijden zaten alleen vader en moeder op de twee enige stoelen die ze bezaten. Voor meer stoelen was trouwens geen plaats in de kamer dus aten de kinderen staand terwijl de jongste bij moeder op schoot werd gevoed.

Miel was de langste in het gezin. Zijn slaapplek was daarom in de z.g. schoenenkast. Hij zou later als oude man nog vertellen dat hij s’ nachts vaak wakker werd als hij tegen het legertje schoenen schopte of als ze nat waren een ondragelijke stank afgaven.

Zijn moeder probeerde als werkster ook wat bij te verdienen. Maar er was altijd wel een baby te voeden en dus moest een van de dochters op die dag van school thuisblijven om de baby op gezette tijden bij moeder te brengen.

Later, op de dagen dat moeder haar werkhuis had, moest dat meisje met de jongste vaak naar het ziekenhuis voor behandeling van zijn “dauwworm”.

Kort daarna stierf Miels moeder. Uitputting, niet gediagnosticeerde kanker? Ze hebben het nooit geweten. De oudste dochter, net 16 jaar, werkend in een dienstje ergens in Noord Holland en verloofd met een nette werkman werd naar huis gehaald om moeders taak over te nemen. Haar werkman heeft ze nooit meer gezien. Ze moest voor de kinderen en hun knorrige vader zorgen totdat de jongste het huis uit was. Geen van haar broers en zussen is haar daar ooit dankbaar voor geweest

Miels oudste zoon, Emil, in 1960: “In de Hongerwinter van 1945 is ze van de honger gestorven. Ze was alleen nog maar met haar vader, die toen al 85 jaar was. Geen een van de kinderen heeft mijn tante in die vreselijke winter ooit een sneetje brood toegestopt.“

En de vader van Miel? Die is in 1960 100 jaar geworden en kort daarop overleden. Toentertijd was het nog gewoon dat de wethouder de 100-jarigen op hun verjaardag een bezoek bracht. Hij overhandigde hem namens de burgemeester een fles jenever. Miels vader toonde zich er zeer mee verguld.

“Ja, want weet u, burgemeester, voor vijven moet ik er niks van hebben . Maar na vijven is het mijn vriend.” aldus Miels vader.

En hoe ging het Miel zelf? Als jongetje van zijn tijd en in die buurt deed hij wat alle jongetjes deden. Ze bonden stilletjes de stinkende poepemmers door huismoeders in warme zomers op het portaal buiten de huisdeur gezet, met een touw aan die deur vast. Wie de deur niets vermoedend opendeed kreeg de inhoud over zich heen. Hij was er trots op dat hij wat Bargoens sprak, een geheimtaal gebruikt door dieven. Alleen de woorden ledien en skedien, lepel en vork, zijn in de familie bewaard gebleven. (spreek de e als onbetoonde u uit)

Sinds de invoering van de Leerplichtwet in 1901 moesten alle kinderen in de steeg naar school. Maar de bestaande scholen waren sinds die wet overvol en zo werden er een paar houten keten opgezet midden op de Nieuwezijds Voorburgwal voor de kinderen uit de omliggende stegen. Toen hij in de 5e klas zat, kwam zijn moeder hem van school halen. Moeder: “Meester, hij kan een keurige baan krijgen. Hij heb genogt geleerd hier”. Hoezeer de meester ook tegensputterde dat Miel de school moest afmaken omdat hij zo goed kon leren, Miel heeft nooit meer een stap in een school gezet.

In de baan die zijn moeder zo keurig vond, moest hij als 11-jarige op de zolder van een stoffeerderij de oude bekleding van de stoelen aftornen. Na een paar weken had hij genoeg van de stofzooi. Hij werd leerjongen in een meubelmakerij. In zijn baantje bij de stoffeerder was hij alleen maar Biedermeier en Fin de Siècle meubels tegengekomen. Hier in deze meubelmakerij werd een compleet nieuw soort meubel gemaakt, Amsterdamse School stijl genoemd. Miel in 1960 tegen zijn oudste zoon Emil: “Ik zag meteen dat deze stijl overal invloed op zou krijgen. Je hoorde dat in de muziek en er werd ook heel anders op gedanst. De kleding veranderde mee. Vrouwen gooiden hun korset af en ze lieten hun haar kort knippen.

En er gebeurde nog veel meer. Paste allemaal bij mekaar. Dat was de tijdgeest van toen. “

Leerjongens werden in alle bedrijven geplaagd bij wijze van ontgroening. Zo werd Miel al heel gauw naar een bevriend bedrijf gestuurd om een potje ooievaarskuitenvet te halen. Miel ging niet maar was slim genoeg om bij terugkomst net te doen of hij er wel was geweest. Ook werden leerjongens weggestuurd om de vierkanten gatenboor te leen vragen. Zo’n praktisch stuk gereedschap bestond toen niet. Dat was lachen als zo’n jongen met lege handen terugkwam. Sinds een jaar of vijf is dit handige stuk gereedschap wel te koop.

Inmiddels was Miel volleerd meubelmaker geworden. Hij dacht erover na om zijn buurmeisje Annie Campfens (1891) te gaan trouwen. Haar enige ambitie was een goede huismoeder te worden. Ze huurden een eenkamerwoning in hun eigen St. Jacobsstraat.

Een architect die Miels werk zag, vroeg hem of hij er niets voor voelde om zelf een bedrijf te beginnen. De architect zou hem geld lenen om machines te kopen en Miel zou in het vervolg al het werk van hem krijgen.

Hij zag zijn kans en nam de grote stap. Hij huurde een ruimte aan de Lijnbaansgracht, graasde het halve land af voor goedkope houtbewerkingsmachines en was vanaf toen zelfstandig ondernemer.

Net als veel andere ondernemers had Miel van bedrijfsvoering en administratie geen benul. Weliswaar bestond de ambachtsschool al sinds 1865. Daar werd wel aandacht besteed aan bedrijfsvoering. Maar veel gezinnen konden het niet nog een paar jaar langer stellen zonder de inkomsten vaan de oudste zoon of dochter. Handige klanten maakten in het begin misbruik van Miels gebrek aan kennis van administratie. Maar hij leerde ook dat snel.

De ambachtsschool ging in die tijd aan de slag met fabrikanten van gereedschappen. Sindsdien zijn deze aangepast aan de spierkracht en handgrootte van jongens van 12 jaar. De verhoudingen in een werkplaats waren nog dezelfde als van de tijd toen de gilden nog bestonden. De baas heette meester en je was gezel of leerling. Die gilden waren al opgeheven in 1797 door Napoleon Bonaparte. De Franse meubelindustrie profiteerde daar wel van net zoals Engeland.

Met de veiligheid was het in alle bedrijven in de 1e helft van de 20e eeuw slecht gesteld. Houtbewerkingsbedrijven waren in die tijd rommelige ruimten volgepropt met materiaal en werkbanken. Alles was bedekt met en laagje fijn houtstof en altijd stond er wel een potje stinkende beenderlijm te pruttelen op een petroleumstelletje. Afzuiginstallaties gekoppeld aan de machines, stofzuigers voor elk stuk elektrisch handgereedschap, schoenen met ijzeren neuzen, veiligheidsbrillen, Arbowetten? Men had er geen weet van.

Wel heeft het in die tijd opgerichte Veiligheidsmuseum, altijd goed voor een uurtje griezelen, de overheid wakker gemaakt voor de vele ongelukken met machines. Net zomin bestonden er mondkapjes. Men wist niet dat houtstof van sommige houtsoorten neus- en/of longkanker konden veroorzaken.

Jarenlang moest Emil, oudste zoon van Miel, ’s morgen vroeg de motkachel aanmaken. Mot is in elkaar gedrukt zaagsel. “Ik stikte haast als ik half in de kachel hing om het mot aan te drukken. Uren erna hoestte ik nog.”

Mot blijft lang smeulen. Opflikkerende brandjes midden in de nacht waren geen zeldzaamheid in die bedrijfjes. Miel fietste soms wel elke avond na het eten naar “de zaak” om te kijken of de motkachel onder controle was.

Ook gehoorbeschermers kenden men nog niet, terwijl de machines toen ook al een oorverdovend lawaai produceerden. Veel oudere arbeiders kampten dan ook met gehoorschade. De machines zelf waren slecht beveiligd. Vooral vingers van de linkerhand raakten wel eens de draaiende cirkelzaag en moesten worden afgezet. Toch zijn de machines van nu met hun sterke krachtstroommotoren in feite veel gevaarlijker. Maar dankzij de sterk verbeterde beveiliging herken je een houtbewerker niet meer aan het aantal overgebleven vingers aan de linkerhand. Agressieve lakken en lijmen kwamen pas vele jaren later. Maar toen waren er ook de beschermende handschoenen. Niettemin blijft houtbewerken een gevaarlijk vak.

In één opzicht hadden de Amsterdamse School meubelmakers het makkelijker dan hun voorgangers. Ze hoefden de meubels alleen maar te beitsen en in de was te zetten in plaats een meubel twaalf tot veertien keer met een dot politoer in te wrijven. De ontwerpers van de Amsterdamse School gooiden het politoeren overboord en dachten daarmee modern te zijn maar in feite werden, voor dat de V.O.C. in de tropen de schellak ontdekte, de meubels al met bijenwas ingewreven.

Toch vreesden de meubelmakers In het begin dat hun broodwinning werd aangetast, immers een meubelmaker ging zeker één per jaar de families langs voor wie hij meubels had gemaakt. Hij bracht dan een paar flinke laagjes politoer op zodat ze als voorheen glommen, want glimmen moest een meubel in die tijd. Op het Hout- en Meubilerings College in Amsterdam en Rotterdam wordt in de restauratieklassen dit tijdrovende onderdeel van het restauratievak nog steeds geleerd.

Miel had inmiddels een goedlopend bedrijf opgebouwd. Hij pakte alles aan zolang het maar van hout was, zei hij wel eens. Hij kocht zijn hout, net als andere houtverwerkers, bij Bruggeman en zijn zoons van de Amsterdamse Fijnhouthandel op de Bloemgracht en de Minervahaven. Bruggeman kende alle houtbedrijven in Amsterdam en die kenden op hun beurt weer Bruggeman en zo is dat nog steeds.

Toen ik als beginnend meubelmaker in 1982 de eerste delen hout kocht bij de Fijnhout, zei de oudste Bruggeman: “Buehre? Bekende naam. Gaat u de zaak voortzetten?“. Maar opa Buehre was al 5 jaar dood en een vrouw aan de cirkelzaag zou voor hem ondenkbaar zijn geweest.

Hout van de Fijnhout kwam uit alle delen van de wereld en werd aan hun eigen kade in de houthaven gelost. Vandaar ging het per platte dekschuit naar de bedrijven. Coromandelhout werd aangevoerd van de Coromandelkust. Het prachtig zwarte hout met bijna doorzichtig bruine streepjes is veel gebruikt voor de Amsterdamse School meubels. Het mooiste en duurste mahonie dat bijna was uitgestorven komt nog steeds uit Cuba.

Rozenhout uit China gaat per gewicht net als het zo bijzondere letterhout.

En eikenhout, veel heel veel eikenhout, hadden de bedrijven die werkten in de stijl van de Amsterdamse School nodig. Het komt overal vandaan.

Zeker 90% van het hout van deze meubels komt van de Fijnhout.

Het prachtigste fineer haalde je bij Van de Wende. In 2006 verkocht die zijn hele voorraad aan de Fijnhout. Berlage (reken zijn maten van de Beurs na), en andere ontwerpers werkten veelal met het principe van de “Gulden Snee”. Ik heb dit evenwel nooit waargenomen bij de meubels van de Amsterdamse School stijl.

Miels gezin met inmiddels twee zoons kon zich na enige jaren een betere woning veroorloven. Ze verhuisden naar de Ruysdaelstraat. Ongekende luxe was daar: elektrisch licht en een doorspoel w.c. maar wel in een hokje tegenover het aanrecht in de keuken. Het huisnummer is niet meer na te gaan sinds zelfverklaarde kookgek Joop Braakhekke met zijn “Le Garage” het verslonsde stukje straat met eenmansbedrijfjes liet opknappen tot een straatje met enige allure en een chique eetgelegenheid.

Oudste zoon Emil (1919): “Vlak na de verhuizing zat ik als kleuter op de arm van mijn moeder en zag een knopje op de muur. Toen ik er mee speelde begon er licht te branden. Elektrisch licht is nog heel lang een wonder voor me geweest”. Miel timmerde in de alkoof twee bedden op kinderformaat. De beide zoons sliepen erin tot hun trouwen. Anton was toen 33 en Emil was 39 jaar.

Miel had de naam dat hij een fout in een ontwerptekening meteen zag en feilloos naar het meubel kon vertalen. Bekende architecten vonden dan ook de weg naar Miels bedrijf. Zo ook de nog steeds beroemde stadsbeeldhouwer Hildo Krop. Miel moest van een tekening op A4 formaat een allegorische voorstelling van de stad maken. Formaat 2 x 3 m. Deze was bestemd voor het toenmalige stadhuis op de Oudezijds Voorburgwal. Toen het werk klaar was zei Krop: “Ik ben kunstenaar maar Miel is het ook.“ Van de overgebleven delen coromandelhout maakte Miel later voor zichzelf thuis twee tafeltjes. (Zie foto 10)

Na jaren was hij in de gelegenheid zelf meubels voor thuis (foto’s 1-9) te maken. Elke avond, een jaar lang na het werk was hij thuis in de voorkamer aan het schuren, lijmen en lakken.

In de vooruitstrevende Amsterdamse School stijl werd het kind erkend als een zelfstandig individu met eigen behoeften. Miel maakte geheel in die stijl voor zijn twee zoons elk een eigen speeltafeltje met stoel plus een leunstoeltje (foto’s 3 en 4). Later maakte hij er voor alle twee de jongens een eigen kast bij (foto 5).

Maar zijn begrip voor de nieuwe verbeterde inzichten reikten niet verder.

Hij had beiden zoons voorbestemd om ooit in het bedrijf te komen. De hoofdonderwijzer van de lagere school wist Buehre er echter van te overtuigen dat Emil beslist naar de Mulo moest. Na de Mulo, het was inmiddels oorlog, mocht Emil naar het avondgymnasium, mits hij overdag in het bedrijf werkte. Emil had in de oorlog grote bewondering voor Engeland gekregen en ging daarna Engels studeren aan de universiteit van Amsterdam. Hij bleef na zijn doctoraal nog jarenlang aan de universiteit verbonden en werkte daarna als leraar aan het Barleus Gymnasium. Hij effende zo ook de weg voor zijn broer Anton (1926) zodat die wel zonder problemen de dure tandartsstudie kon volgen.

Miel en zoon Emil maakten vaak lange tochten op hun handgemaakte racefiets, Rih, (een begrip voor wielrenners in die tijd). Miels andere hobby was zijn motor waar hij graag op zomerse dagen naar Zandvoort reed met een van de jongens achterop. Hij bleef tot een paar jaar voor zijn dood in zijn werkplaats werken. Hij had geen mensen meer in dienst. Zijn zoons hadden hun eigen werkkring. De werkplaats is nu een discotent. In de oude ruimte knettert op de zaterdagavonden hiphop, house en beat uit de boxen.

De Amsterdamse School stijl staat in het collectieve geheugen van de Amsterdammer gekerfd. Tot 1940 zijn hele buurten in die stijl gebouwd, ook buiten Amsterdam. Geen wonder dat toen Alice Roegholt mijn van Miel geërfde meubels kwam bekijken, ze de door mij gemaakte stoel, meteen aanwees als “Amsterdamse School Stijl”. Maar de stoel had ik pas in 1993 getekend en gemaakt. (foto nr.14.

Tenslotte: tijdens haar leven heeft Miels vrouw hun meubels elke vier weken in de was gezet en weer uitgeboend. Het is nooit in mijn hoofd opgekomen om dat ook maar één keer te doen.

Ingezonden door: Margreet Buehre-Andriessen

Margreet Buehre-Andriessen

Reacties

Geen reacties voor deze persoon.

Je moet eerst inloggen voordat je een reactie kan plaatsen.
Als je nog geen account hebt, dan kan je je aanmelden voor een account.