terug naar alle blogs

Wenendoor: Richelle Wansinggepubliceerd op: 5 mei 2015

Wenen

Karl Marx-Hof

De Karl Marx-Hof in Wenen. Volkswoningbouw van een monumentaliteit die je niet snel ergens anders zal aantreffen. Een gebouw van 1,2 km lang, 1382 gemeentewoningen, gebouwd 1927-1930 en ontworpen door stadsarchitect Karl Ehn. Aan de westzijde ligt een openbaar plein, aan drie zijden geflankeerd door het gebouw. Dit plein vormt het hart van het complex. Op het midden van het plein een beeldhouwwerk van de Zaaier. Op het gebouw vier keramieken beeldhouwwerken van Josef Riedl: Aufklärung, Befreiung, Kinderfürsorge en Körperkultur. Het plein heet 12. Februar Platz. Het gebouw zelf heet naar Karl Marx. Om het idealisme, het positief-willende kun je niet heen. Maar de aanblik en de gedachte aan het gebouw deprimeren me. Het doelmatig-groteske ervan, het heeft niets van het theatrale-groteske dat het andere Weense paleis (Schönbrunn) oproept. Schönbrunn roept een beeld van decadentie op, dit roept een beeld van efficiëntie op. En daar gaat iets beklemmends vanuit. De Karl Marx-Hof als een soort voorteken van het ophanden zijnde. Sociaal-democratische efficiëntie als een bedreiging van kunst en cultuur. Ik denk aan Hitlers Entartete Kunst-tentoonstelling (1937).

Nietzsche ageerde al vroeg tegen de bedreiging door de sociaal-democratie, wiens sociale en economische waarden hij beschouwde als in strijd met zijn begrip van cultuur. Uit de biografie van Nietzsche: ‘Van de drie grote bestaansmachten zoals Burckhardt die definieerde – staat, religie en cultuur – is de cultuur voor hem [Nietzsche] het belangrijkste. Om harentwil moet alles gebeuren. Zij is het hoogste doel, en waar hij een onderschikking van de cultuur onder de doeleinden van de staat of van de economie meent te bespeuren, wekt dat zijn verontwaardiging.’ (Safranski 2013, 60) In het sociaal-democratische streven naar sociale rechtvaardigheid verwordt ‘cultuur’ tot een ondergeschikt begrip, of misschien nog wel meer, tot vijand. Denk aan gemobiliseerde arbeiders die ten strijde trekken tegen de zogenaamde heersende (en culturele) klasse, om hun culturele bezit te vernietigen. De arbeider als vijand van cultuur. ‘Het streven om de ‘sociale kwestie’ in de lijn van de arbeiders op te lossen ervaart Nietzsche als bedreiging van de cultuur. Hij verwijt de ‘democraten’ dat ze de massa’s willen emanciperen en ze iets voorspiegelen over de waardigheid van de arbeid en de waardigheid van de mens [..] met als gevolg dat zij pas daardoor hun situatie als schrijnend onrecht ervaren en dientengevolge zullen eisen dat er recht geschiedt.’ (Safranski 2013, 63)

De Karl Marx-Hof snijdt het thema ‘kunst en economie’ aan. Niet in de hedendaagse gebruikelijke zin van kunst als economisch handelsgoed, maar in de zin van ‘kunst’ en ‘economie’ als twee onafhankelijke ‘bestaansdomeinen’. Beter gezegd, als twee concurrerende bestaansdomeinen. Waar de Karl Marx-Hof gezien kan worden als exponent van het domein ‘economie’, kan Het Schip van Michel de Klerk gezien worden als exponent van het domein ‘kunst’. Daarin schuilt het uitzonderlijke van de Nederlandse volkshuisvesting, dat het geen overheidsbouw is, dat het niet de staat is die de opdrachtgever is, maar talloze particuliere woningbouwverenigingen, die, als zelfstandige opdrachtgevers, architecten hebben benaderd. Dit maakt dat de architectuur vrij was, of relatief vrij, want er bestond wel degelijk een spanningsveld tussen de domeinen ‘kunst’ en ‘economie’. De gespannen relatie tussen de architectuur van Het Schip als kunst, en het economische argument, laat zich illustreren door het debat waarin wethouder Wibaut het dure complex had te verdedigen, en zich daarbij op het kunstargument beriep en een beeld van architect Michel de Klerk opriep als de Rembrandt onder de architecten. Het vraagstuk was: kunst óf economie. Wibaut riep kunst, maar het mocht niet baten. Het gebouw werd gehoond als een enfant terrible, een schepping die zich niet zou moeten herhalen. Volkshuisvesting mocht nooit meer zoveel geld kosten.

Op een gegeven moment werd de Amsterdamse volkshuisvesting dusdanig georkestreerd dat alles achter de gevel gestandaardiseerd werd, en architecten slechts nog de gevels hadden vorm te geven. De zogenoemde schortjesgevelarchitectuur. Standaardisatie op economische en sociale grondslag, en dientengevolge beperking van creatieve vrijheid. Een beperking van creatieve vrijheid die wel is aangemerkt als het einde van de Amsterdamse School, die toch immers een beweging van artistieke vrijheid is. Waar dit argument echter aan voorbijgaat, is dat de Amsterdamse School geen beweging van volkshuisvesters was. De volkshuisvesting was dan misschien wel de grootste Amsterdamse opdrachtgever, maar zeer zeker niet het enige domein waar de leden van de Amsterdamse School zich profileerden. Te stellen is dat er veeleer sprake lijkt te zijn van de directe dreiging die van het bestaansdomein ‘economie’ uitging. Het is aan het ‘economische idee’ dat de architectuur als vrije kunstvorm haar bestaansrecht verloor. Het kunstbegrip werd onhoudbaar en er was een nieuw begrip van architectuur noodzakelijk. Architectuur moest geen kunst zijn, maar efficiënt-economisch. Een symbool. Zoals de Karl Marx-Hof.

__

Safranski, R. 2013. Nietzsche; een biografie van zijn denken.

Foto: Door Dreizung (Eigen werk) [GFDL (http://www.gnu.org/copyleft/fdl.html) undefined CC BY-SA 3.0 (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)], via Wikimedia Commons