terug naar alle blogs

Totaalkunstdoor: Richelle Wansinggepubliceerd op: 11 februari 2015

Totaalkunst

In 1918, in het openingsartikel van het eerste nummer van Wendingen, spreekt H.Th. Wijdeveld van het streven naar een ‘algeheele verzoening der kunsten’. De vraag luidt: hoe zorgvuldig is het woord ‘verzoening’ hier gekozen? Wanneer de term ‘verzoening’ tegenover de term ‘versmelting’ wordt gezet, dan volgt een belangrijk onderscheid. Bij verzoening gaat het om het nader tot elkaar komen, het elkaars gelijke worden in geestelijke vorm, terwijl het bij versmelting om de synthese gaat, het in elkaar opgaan zodat er iets overstijgend nieuws ontstaat. Een nuance die van groot belang is voor een goed begrip van de term Gesamtkunstwerk. Want wanneer er over de Amsterdamse School gesproken wordt als een stroming van totaalkunst, wordt daarmee dan een actief streven naar synthese bedoeld (het in elkaar opgaan van de verschillende kunstvormen) of wordt daarmee een vanzelfsprekende ‘broederschap’ tussen de kunsten bedoeld (met behoud van hun zelfstandige kunstvorm)?

Het woord ‘verzoening’ lijkt te duiden op het streven naar broederschap, niet naar synthese. Broederschap, oftewel het idee dat de kunsten elkaars gelijke zijn in geestelijke vorm. Aan wat voor gemeenschappelijke kwaliteit van de kunsten zou hierbij gedacht moeten worden? Zou er bij de Amsterdamse School sprake kunnen zijn van het nastreven van ‘beweging’, zoals Wagner ‘muzikaliteit’ nastreefde[1]? In zijn openingsartikel voor Wendingen spreekt Wijdeveld van ‘de verschijning der Fantasievollen, die argeloos spelen met de schatten van het rationalisme.’ Deze Fantasievollen roeren de sfeer aan van ‘soepele architectonische-plastiek’ die ‘vol beweging’ is. ‘Beweging’ lijkt de gemeenschappelijke grond waarop de verschillende kunsten zich verzoenen, of verbroederen. Ook de nieuwe schilderkunst is vol beweging, zo spreekt Wijdeveld van ‘de schilderkunst in haar chaotisch bewegen’. En wat te denken van de volgende vergelijking: ‘Gertrud Leistikow is in haar dans als De Klerk in zijn architectuur’. Ze worden hier in één adem genoemd om hun onnavolgbare genialiteit, maar zijn ze niet ook vergelijkbaar in hun ‘beweging’?

Een belangrijk kenmerk van ‘beweging’ is dat het om een kwaliteit gaat die zich in verschillende kunstvormen kan manifesteren. Met andere woorden, beweging is een ‘broederschap faciliterende’ kwaliteit. Een kwaliteit voor een nieuwe generatie, die daarmee definitief afrekent met het synthetiserende en hiërarchische begrip Gesamtkunstwerk.

___


[1] De term Gesamtkunstwerk stamt nog uit de tijd van de late Beethoven, namelijk van de filosoof Trahndorff, 1827. De term heeft vlucht genomen door het gebruik door de Duitse componist Richard Wagner. Van groot belang voor een goed begrip van deze term is Wagners streven naar ‘muzikaliteit’. Dit was dé kwaliteit die zich in de kunst diende te manifesteren. Het onderscheid tussen ‘muziek’ en ‘muzikaliteit’ is hierbij van groot belang. Het begrip muzikaliteit behelst de methodologische benadering van muziek, waarbij de ‘muzikale werking’ los wordt beschouwd van muziek op zich. Muzikaliteit behelst zo niet alleen het inzichtelijk maken van de ‘wegen van de muziek’, maar veronderstelt zo ook de mogelijke toepasbaarheid binnen andere disciplines.

Wagner begreep muzikaliteit als een hiërarchische kwaliteit: niet alle kunsten hadden hetzelfde muzikale potentieel. Het begrip Gesamtkunswerk heeft primair betrekking op de versmelting van poëzie (taal) met haar wederhelft de muziek in het Drama. In tweede instantie deze versmelting ook betrekking op de andere kunsten, maar binnen de gestelde beperking dat ze op deze wijze bijdragen aan de synthese die zich in het Drama voltrekt. De enige weg van de kunsten was die van het Gesamtkunstwerk, waarbij de ‘mindere kunsten’ door middel van de synthese toch bijdroegen aan de universele kwaliteit van kunst: muzikaliteit. In zijn oorspronkelijke synthetiserende betekenis staat de term dan ook tegenover waarden als broederschap en gelijkheid in de kunsten.