terug naar alle blogs

Rouwdoor: Richelle Wansinggepubliceerd op: 7 juni 2015

Rouw

In 1882 publiceerde Busken Huet zijn studie Het land van Rembrand. Deze titel geldt wel als het motto van de late negentiende eeuw en illustreert het veranderde begrip van de zeventiende eeuw: werd deze periode voorheen gezien als een tijd van economische voorspoed, nu werd zij ook gezien als een periode van culturele voorspoed. De eind negentiende-eeuwse rouw om de teloorgang van de Gouden Eeuw betrof vooral de teloorgang van dit nieuwe idee (een projectie van een eigentijds streven!) van Nederland als culturele grootmacht. 

 

Rouw

Toen Willem I in 1815 koning werd, ontving het volk hem door een rouwkleed om te slaan. De Gouden Eeuw leek verder weg dan ooit. Vanaf nu was Nederland enkel nog een nieuw, leeg, nietszeggend ‘Koninkrijk der Nederlanden’. Een land in rouw. Een land dat een terugkeer verlangde naar de Gouden Eeuw. Een land dat weer een (economische) grootmacht wilde zijn.

In de eerste helft van de negentiende eeuw genoot ‘de economie’ een status van onbevlektheid: economische voorspoed gold als de uitkomst van een gezonde volksmoraal. Wanneer de moraal terug in het zadel geholpen zou worden helpen, zou de economische voorspoed terugkeren, luidde het devies. In de tweede helft van de negentiende eeuw staakte men deze reddingspoging om de Nederlandse moraal op te vijzelen. Niet omdat de rouw over was, maar omdat de moraal van haar voetstuk was gevallen.

Een nieuwe tijd betekende een nieuwe oplossing. De moralistische absolutie had afgedaan voor de evolutionaire relativiteit. Als land, als volk, als maatschappij vormden wij een organisme met een eigen levensontwikkeling. Het streven was niet langer naar een hoge moraal, maar naar een gezonde ‘organische huishouding’. Dat betekende boven alles dat wij met de moderne tijd in de pas moesten gaan lopen. Zowel in economische zin als in culturele zin.

De economie was niet langer van smetten vrij. Van handelseconomie naar productie-economie. In zijn economisch traktaat had Karl Marx de factor arbeid als het nieuwe kapitaal aangewezen en gesteld dat hieruit een nieuwe verdeling van macht en kapitaal zou volgen. Tegen het einde van de eeuw zou blijken dat deze herverdeling was uitgebleven omdat het oude systeem moedwillig in stand gehouden werd door een geld- en machtsbeluste elite. De smet van het kapitalisme lag over de economie.

Ook op het gebied van het andere zwaartepunt, cultuur, schiet de moderne tijd tekort. De tekortkoming ligt in het ontbreken van een ‘gemeenschappelijke cultuur’, naar voorbeeld van de oude beschavingen die zich onderscheiden door een kenbare gemeenschappelijke cultuur (materieel en immaterieel). Een ‘gezond organisme’ vereist een ‘gemeenschappelijke cultuur’. Aan het sleutelwoord ‘cultuur’ ontspringt zo het streven naar gemeenschapskunst.

Van gemeenschapskunst naar nieuwe kunst. De kruisbestuiving tussen economie en cultuur heeft de nieuwe kunst tot vrucht, een kunststreven waarin productie en consumptie een culturele eenheid vormen. De Franse Art Nouveau is de bekendste exponent van dit streven, terwijl Berlage als representant van de Nederlandse variant geldt. Een vergelijking tussen de Art Nouveau en Berlage wijst erop dat de eerste een kunst is voor een ‘nieuwe tijd’, terwijl Berlages kunst veeleer ‘de gemeenschap’ wil dienen.

De Nederlandse kunstqueeste behelst een zoektocht naar de wortels van ‘de gemeenschap’ om op grondslag daarvan een nieuwe kunst te laten opbloeien. Gewortelde kunst. Omdat Nederland zozeer op zoek is naar een eigen kunst, lijkt deze ‘geworteldheid’ het belangrijkste kenmerk van de nieuwe kunst te worden. De Bazel, Berlage en Kromhout, de belangrijkste representanten van de Nederlandse nieuwe kunst, zijn zij soms niet allen op zoek naar wortels? En allen vinden ze deze ergens anders: oudheid (De Bazel), middeleeuwen (Berlage) en Oosterse stijlen (Kromhout).

De samenleving lijkt echter te versnipperd om tot een nieuwe gemeenschappelijke cultuur te komen. En mogelijk geeft deze onmogelijkheid om tot een gemeenschappelijke cultuur te komen, de aanzet tot het streven naar het universalisme in: het utopische geloof in een geheel nieuwe maatschappijvorm. De verschuiving van het culturele naar het universele heeft haar weerslag in de ontworteling van de kunst. De kunst rukt zich los van het culturele keurslijf (de gemeenschap als voedingsbodem) en reikt uit naar het dode punt, waarop geen verdere ontwikkeling mogelijk is (waarop kunst op zichzelf staat). Zij ontaard. En door te ontaarden betreedt zij het domein van de onveranderlijke universele wereld. Ook Nederland raakt ontworteld. De Nederlandse ontworteling resulteert in de opbloei van twee vernieuwende bewegingen: De Stijl en de Amsterdamse School. Beide universalistisch in hun ontworteling: losgemaakt van cultuur.

In het universalisme voltrekt zich een omkering tussen kunst en gemeenschap: de kunst is niet langer een uiting van gemeenschappelijkheid, maar wordt zelf tot een gemeenschappelijk waarde. In de ‘universalistische gemeenschap’ wordt eindelijk een ‘nieuw Nederland’ gevonden. Het Nederlandse streven naar een kunst die het nieuwe gemeenschappelijke kan worden, is misschien wel rouw geboren, uit het diepgewortelde verlangen naar een ‘nieuw Nederland’.