terug naar alle blogs

Nietzsche en/of Dostojevskidoor: Richelle Wansinggepubliceerd op: 26 mei 2015

Nietzsche en/of Dostojevski

De Duitse expressionistische kunstenaarsgroep Die Brücke ontleende zijn naam aan Nietzsches begrip van ‘de brug’, in de betekenis van een overbrugging van de oude naar de nieuwe tijd. Valt bij de Amsterdamse school niet ook te denken aan ‘wendingen’ naar een nieuwe tijd? Een ‘visionair kunstenaarschap’ als brug naar de nieuwe tijd? Ik heb eens gelezen dat de naam van het tijdschrift Wendingen een afgeleide zou zijn van Nietzsches begrip ‘Umwertung aller Werte’. Ik herinner me echter niet meer waar ik dat gelezen heb. Wel weet ik dat deze uitspraak in de verdere tekst niet werd uitgelegd, niet werd beargumenteerd en evenmin van bronvermelding was voorzien. Bovendien dient te worden opgemerkt dat áls de naam Wendingen een verwijzing zou zijn naar Nietzsches gedachtegoed, dat Wijdeveld dat in zijn introductie-artikel in het eerste nummer van Wendingen wel zou hebben opgemerkt. Feit blijft desondanks dat het gedachtegoed van Nietzsche immens populair was in het Europa van de eerste helft van de twintigste eeuw – om Nietzsche kon je niet heen. Zelfs vanuit de wetenschap dat de Nietzsche-receptie in Nederland marginaal te noemen is in vergelijking met Duitsland (hoewel in de jaren na 1900 wel degelijk enkele Nederlandse vertalingen worden uitgegeven), is de vraag toch in mijn hoofd blijven hangen: wat was de Nietzsche-receptie van de leden van de Amsterdamse School?

In 1917 onderging de organisatiestructuur van de architectenvereniging Architectura et Amicitia (A et A) een ingrijpende verandering: er werd een kern van Afgevaardigde Leden in het leven geroepen, en deze leden kregen het alleenrecht om alle representatieve functies te vervullen. In deze vernieuwende geest werd het besluit genomen om een nieuw maandblad uit te geven: Wendingen. Jeroen Schilt schrijft over de hervorming van A et A dat het erop lijkt dat ‘Gratama, Staal, De Klerk en Wijdeveld als een voorhoede van revolutionairen A et A willen gebruiken om de moderne architectuur in Nederland te propageren.’ (Schilt 1992, 110.) Met het oog op deze reorganisatie naar bolsjewistisch systeem, is het een opvallend gegeven dat het bij A et A niet om een politieke beweging ging, die een revolutie in de politiek beoogde, maar om een beweging in de architectuur, die een revolutie in de kunst beoogde. En het is deze laatste karakteristiek – de voorstelling van een zogenaamde geesteselite die via de kunst een brug naar de vernieuwing slaat – die sterk aan Nietzsche doet denken. Volgens Nietzsche heeft de kunstenaar – als levenskunstenaar, als exemplarisch individu – de taak, of is als enige daartoe in staat, om het leven te doorleven en tot uitdrukking te brengen.

Als ik het Nietzsche-spoor verder volg en zelf op zoek ga naar een relatie tussen Nietzsche en het begrip ‘wendingen’, dan kom ik op de volgende gedachte uit. Volgens Nietzsche is alle moraliteit niet meer dan een kunstmatige of onechte menselijke constructie (de christenmoraal, de socialistische moraal, etc.). Hiertegenover stelt hij de ‘Wille zur Macht’ – het idee dat de werkelijkheid bepaald wordt door krachten, die allen om de macht strijden. Nietzsches idee van een ‘Umwertung aller Werte’ veronderstelt de herwaardering van al onze waarden: zij dienen niet langer op de moraal gebaseerd te zijn, maar op het machtsbegrip. Zou Nietzsches herwaarderingsprincipe dan niet naar het Nederlands te vertalen zijn als ‘(waarden)wendingen’ – gerealiseerd door een voorhoede van kunstenaars, die zich tot taak hebben gesteld de conflicterende maatschappelijke krachten tot expressie brengen? Had niet ook Mondriaan zich ten doel gesteld om conflicterende krachten tot uitdrukking te brengen, via zijn verticalen en horizontalen?

Het is dan niet ondenkbaar dat de naam Wendingen een afgeleide is van Nietzsches begrip ‘Umwertung aller Werte’. Daar staat echter tegenover dat voor de vaak sterk maatschappelijk georiënteerde leden van de Amsterdamse School, Nietzsches kunstenaarsideaal – waarin de werkelijke bestemming van het leven slechts voor enkelen was weggelegd – te eng-individualistisch zal zijn geweest. Over de schrijver Frans Coenen las ik dat deze niet veel op had met Nietzsche, hij vond hem veel te individualistisch. Daartegenover staat dat hij veel bewondering had voor de Russische schrijver Dostojevski. Geen Nietzsche, wel Dostojevski. En daarmee loopt er een dun lijntje in een vrienden- of ideeënnetwerk van Dostojevski naar de architect Michel de Klerk, die een bekende was van Coenen. Tevens dient een andere vriend van Coenen te worden genoemd: de schrijver E. d’Oliveira, die het boek Grenzen schreef, waarvoor De Klerk weer het omslagontwerp maakte.

Doliveira

Ook d’Oliveira had grote bewondering voor Dostojevski. Over het boek Grenzen zou hij zelf hebben gezegd dat het in de geest van Dostojevski was geschreven. En ja, de ‘veelstemmigheid’ van Dostojevski is inderdaad herkenbaar: in Grenzen wordt diep ingeleefd in verschillende personages, die allen diep gevangen zitten in hun eigen idee. Voor Dostojevski was er maar één weg die uit de veelstemmigheid kon leiden, namelijk een terugkeer naar spiritualiteit en geloof, een terugkeer naar broederschap. Het Nietzscheaanse individualisme en de Dostojevskiaanse verbroedering zijn hiermee recht tegenover elkaar te plaatsen. Deze tegenstelling werpt een nieuwe vraag op, want hoe zit het met de Dostojevski-receptie onder de leden van de Amsterdamse School?

In de eerste jaargang van Wendingen valt in ieder geval éénmaal de naam van Dostojevski. Namelijk wanneer de traditionalist M.J. Granpré Molière, de latere grondlegger van de Delftse School, in de rubriek ‘Af- en toe-wendingen’ schrijft over de begrippen individualisme en gemeenschapskunst. (Granpré Molière 1918) Hierbij stipt hij de ‘de grote Dostojevski’ aan als iemand die gevormd is door ‘genegen overgave aan wijder leven’, het soort van persoon die hij altijd heeft beschouwd als tegenhanger van de individualist – want dat is iemand die zich ‘in zelfzucht ingesponnen’ in de ‘eigen geestessfeer’ ophoudt. Aldus het individualisme-begrip zoals Granpré Molière het had geleerd, want er bleek inmiddels een ander begrip van individualisme in zwang te zijn, zo schrijft hij: ‘een ieder, die karaktervolle kunstwerken wrocht, zo wij mochten lezen, is individualist.’ Hij heeft dit gelezen in het artikel ‘Gemeenschapskunst en individualisme’ van J.L.M. Lauweriks, reeds eerder in Wendingen gepubliceerd. (Lauweriks was overigens niet de eerste die de kwaliteiten van individualisme prees. Te denken valt bijvoorbeeld aan een artikel in de telegraaf (12-1-1916) waarin de Belgische architect Huib Hoste schrijft dat De Klerk een individualist is, omdat hij ‘inbeelding […] gebruikt tot uitbeelding van zijn gedachte’.) Vervolgens schrijft Granpré Molière dat over deze ‘nieuwe individualist’ niet te kennen is gegeven of het om een ‘onder-, midden- of boven-individueel’ gaat. Hoewel Granpré Molière zich hiermee van het vocabulaire van Lauweriks bedient, rijst de vraag of deze laatste zinsnede niet eveneens te lezen is als een spottende zinspeling op Nietzsches begrip van de Übermensch? Beticht Granpré Molière de Amsterdamse School hier van Nietzscheaans-individualisme? Het lijkt er wel op. Het blijft echter zeer de vraag of de leden van de Amsterdamse School zich hierin zouden hebben kunnen vinden.

___

Jeroen Schilt 1992. Genootschap Architectura et Amicitia 1855-1990.

M.J. Granpré Molière 1918. ‘Af- en toe-wendingen,’ p.14 in Wendingen 1918. (Jaargang 1, nr.7.)