terug naar alle blogs

Kleurdoor: Richelle Wansinggepubliceerd op: 6 september 2014

Kleur

Bij de tentoonstelling over Seurat in het Kröller-Müller Museum was er één ding dat me dwarszat. Dat was ‘dat met die kleuren,’ zoals ik het zelf formuleerde. Iets duidelijker geformuleerd: in zijn beroemdste werken maakt Seurat gebruik van de optische methodiek, waarbij hij met naast elkaar geplaatste gekleurde stippen werkt en de uiteindelijk ‘kleurmenging’ aan het proces van het waarnemen overlaat. In zijn streven te willen objectiveren, in zijn streven om één motief uit te beelden – in die zaken staat hij keurig op zijn plaats in de algemene ontwikkelingsgeschiedenis. Zijn interesse in kleurtheorieën sluit hier naadloos op aan en toch was dat hetgene wat voor mij niet helemaal op zijn plek viel.

Want waar vind ik die ideeën terug in de Nederlandse architectuur? Er moest een parallel te vinden zijn, gewoonweg om de wetmatigheid dat nieuwe theorieën op zovele wijzen en in evenzovele disciplines wortelschieten. Welke architecten hadden deze boeken over kleurtheorieën in hun kast staan? Of welke wilden er niets van weten, want ‘verwerpen’ is ook een manier van reageren op. Direct daarop schoof ik het al als een uitgemaakte zaak terzijde, want behoort kleur niet bovenal tot het domein van de schilderkunst? Het zijn de schilderijen die één en al kleur zijn, het zijn de schilders die op hun palet de kleuren mengen. Ik zie een architect nog niet zijn eigen bakstenen maken, op een palet de kleisoorten vermengend.  Ja, daar heb je het al: bakstenen worden wél uitgekozen.

Logischerwijs was mijn volgende gedachte Michel de Klerk. De drie blokken aan het Spaarndammerplantsoen, respectievelijk het paarse, gele en rode blok genoemd. En wat te denken van de contrastwerking in het gele blok, geel versus donkerpaars? Of de contrasten in Het Schip, niet alleen in het baksteengebruik, maar ook in het dakpangebruik. Duikt hier in de periode 1910-1920 niet ineens de toepassing van de kleurtheorie op die ik eigenlijk een twintigtal of dertigtal jaren eerder zocht? De vraag naar ‘dat met die kleuren’ betrof nu niet meer de zoektocht naar een parallel in de architectuur, maar luidde ineens: waarom pas zovele jaren later dan Seurat?

Een lastige vraag, waarop ikzelf het antwoord zou zoeken in de richting dat in de Nederlandse architectuur, kunsttheorieën pas veel later ingang vonden dan in de andere kunsten. In de internationale Art Nouveau, die zoveel dichter bij de schilderkunst ligt dan de contemporaine Nederlandse architectuur van Berlage en De Bazel, lijken kleurtheorieën al wel een belangrijke rol te hebben gespeeld. En natuurlijk speelt kleur bij zowel Berlage als De Bazel een rol, maar zij gebruiken het vanuit een voor hun statisch ‘betekenishebbend’ kleurenpalet. Niet vanuit concepten als waarneming, optische werking, perceptie, stemming enz..

Ik bedoel evenmin dat er niet getheoretiseerd werd , alleen dat hierbij te strikt binnen de grenzen van de bouwkunde gedacht bleef, dat er een streven was om het essentiële van architectuur te doen uitkomen. Doordat de architectonische aard en identiteit zo’n belangrijk gegeven was, werd er op veel vlakken geen aansluiting gevonden op ‘de kunst’. In de Amsterdamse School was ‘de kunst’ nu echter een vanzelfsprekend gegeven, waardoor kunsttheorieën konden ontkiemen die daar eerder de kans niet toe kregen. Zoals Michel de Klerk schrijft: ‘Wat Berlage echter voor het bouwvak gedaan, […] zal wel nimmer vergeten worden, doch aan de bouwkunst is hij nooit toegekomen.’

Kleur Deklerk

Op de valreep: de tentoonstelling 'Seurat. Meester van het pointillisme' is t/m 7 september 2014 te zien in het Kröller-Müller Museum.

In aanvulling op het blog Organisch: op 4 oktober om 16.30 uur houdt Maartje Brattinga in Bezoekerscentrum De Dageraad de lezing ‘Een onuitputtelijke vormenbron’ over Ernst Haeckels fascinatie voor organische vormen.