terug naar alle blogs

Individualisme en collectivismedoor: Richelle Wansinggepubliceerd op: 12 juni 2015

Individualisme en collectivisme

M. de Klerk, Het Schip, detail Hembrugstraat. (Foto: Museum Het Schip)

Individualisme en collectivisme

“De architect stond onverschillig tegenover de samenleving, die hij bewonderde noch haatte, de schoonheid van zijn werken was geen weerspiegeling van gemeenschapsgevoelens.” (Staal 1926, p.185)

Deze woorden uit 1926 markeren de overgang die zich heeft voltrokken van het individualisme naar het collectivisme. De auteur, de architect J.F. Staal, distantieert zich van de architectuur van Michel de Klerk, die te individualistisch was. Staal schrijft dat Berlage voor zijn gevoel eerder als “een der directe leiders van nieuwere bouwkunst” kan worden aangemerkt dan De Klerk. En wel omdat Berlages werk elementen bevat “die een algemeenere bouwkunstbeoefening ten nutte kunnen komen.” Oftewel, de nieuwe bouwkunde dient gemeenschappelijke waarden tot uitgangspunt te hebben. De nieuwe bouwkunde dient gedienstig te zijn aan de techniek, niet aan de architectuur. “De bouwkunstige vraagstukken der gemeenschap van nu, willen niets meer dan een zuiver technische beantwoording…”

Staal bepleit een architectuur die zich baseert op voor de gehele samenleving geldende waarden. Het is dit nieuwe collectivistische streven wat hij op De Klerk projecteert, op basis waarvan hij kan concluderen dat diens werken “geen weerspiegeling van gemeenschapsgevoelens” zijn en dat De Klerk onverschillig tegenover de samenleving zou hebben gestaan. Staal heeft gelijk dat De Klerks werken zich op een andere manier kwalificeren. Zoals ook Staal schrijft, vol lof: “Nu eens dit, dan weder dát accentueerend, doch elk bouwwerk makend tot een mooi geheel, dat alle plaatselijke theorieën te boven was, tot een organisme, met alzijdige verbondenheid aan alle graden van, in architectuur zich uitend, leven.” (Staal 1926, p.180) Leven, dat is waar De Klerks werken uiting aan geven. Niet aan gemeenschappelijke waarden of aan de samenleving.

Het individualisme staat in scherp contrast met het zoeken naar collectieve waarden, zoals voorgestaan door het collectivisme. De rol van de kunstenaar is in beide richtingen een geheel andere. Het individualisme weerspiegelt een gesegmenteerde maatschappelijke structuur, waarin verschillende componenten naast elkaar een plek hebben – kunstenaars zorgen voor de kunst – terwijl het collectivisme een versmolten structuur weerspiegelt: ‘kunst’ wordt onderdeel van de industriële ontwerpopgave. De bouwkunst staat niet langer op zichzelf, maar dient zich naar economische en sociale waarden te vormen.

Vanwege het spanningsveld tussen het individuele en gemeenschappelijke, gelden individualisme en collectivisme algemeen als tegengestelde begrippen. Toch lijkt tussen beide begrippen een nauwe samenhang mogelijk wanneer niet gekeken wordt naar de connotatieve tegenstelling, maar naar collectivisme als organisatievorm. Een collectivistische maatschappijvorm impliceert dat de maatschappij georganiseerd is in collectieve gemeenschappen. Dit heeft zowel kwantitatieve als kwalitatieve implicaties. Terwijl kwantitatief naar de omvang van het verschijnsel verwijst – het aantal gemeenschappen – verwijst kwalitatief naar de organisatie op gemeenschapsniveau. De kwaliteit van de gemeenschap. Ofwel het streven het gehele gemeenschapsleven te organiseren: wonen, werk, vrije tijd en opvoeding. En kunst. Het individualisme in de kunst, als waarborg voor de onafhankelijkheid van de kunsten, lijkt op deze wijze juist in het verlengde te liggen van de gedifferentieerde behoeften van een collectivistische organisatievorm.

___

Staal, J.F. 1926. ‘M. de Klerk. Bouwmeester 1884-1923,’ 180-185 in Maandblad voor Beeldende Kunsten (juni 1926), jaargang 3, nr. 6.