terug naar alle blogs

Faundoor: Richelle Wansinggepubliceerd op: 2 augustus 2014

Faun

Voor ik over de tentoonstelling in het Kranenburgh te Bergen hoorde, had ik nog nooit van de danseres Gertrud Leistikow gehoord. Het kleine beetje informatie dat er met dit ‘eerste horen over’ tot mij kwam, was dat zij gedanst had met maskers van Hildo Krop. Een zeer intrigerende eerste kennismaking!

De tentoonstelling bezocht ik met slechts dit hele minieme beetje kennis op zak. Het grote voordeel van zo blanco een tentoonstelling binnen te lopen is dat je de tentoonstelling alle ruimte geeft om je te verrassen. Het laat zich raden dat ik dit niet zonder reden schrijf: er was één object dat mij zeer verraste. Het betrof een schets of tekening waarop Leistikow was vastgelegd tijdens de uitvoering van haar dans Faun. Of eigenlijk hing er zelfs een reeks met schetsen, waarbij op ieder vel een ander moment uit de dans was gevangen. Dat er meerdere tekeningen hingen realiseerde ik me pas later, zozeer verrast als ik was om me ineens zo dichtbij Pompeï te weten, want dat was waar de tekening van Leistikow in haar Faun me naartoe bracht: het zogenoemde ‘Huis van de Faun’ in Pompeï.  Genoemd naar het beeldje van een faun dat in het betreffende huis is gevonden en waarvan nu een replica in het huis is geplaatst. Leistikow als (tweede) replica van deze dansende faun, zo ongeveer was mijn eerste indruk van de tentoongestelde tekening.

Het effect van de verrassing zat hem niet zozeer in het gevoel van herkenning, maar in de realisatie dat hier een wezen uit de Romeinse mythologie tot inspiratie is geweest, preciezer geformuleerd: dat hier de Romeinse inspiratie boven de Griekse is verkozen. De voorafgaande eeuw was de eeuw van Griekenland als muze. De letterkundige Carel Vosmaer (1826-1888) zag in ‘zijn’ negentiende eeuw geen stilstand en achteruitgang, zoals vaak het oordeel geveld werd,  maar las de zogenaamde ´Griekse renaissance´ juist als een belofte van deze eeuw. Hij bepleitte dat het hierbij niet ging om het onnadenkend navolgen van de Griekse stijl, maar om het begrip van de Griekse geest. De Griekse cultuur – in geest en kunst – had de allergrootste hoogte bereikt, waartoe de Romeinse cultuur zich slechts had verhouden in de vorm van ‘onnadenkend navolgen’. Met andere woorden, wanneer men zich aan het begin van de twintigste eeuw tot de oudheid wendt ter inspiratie, zou ik toch verwachten dat de zogenaamd ‘oorspronkelijke’ Griekse geest verkozen zou worden boven de zogenaamd ‘onnadenkend navolgende’ geest van de Romeinse cultuur. Bovenal omdat oorspronkelijkheid ook het contemporaine streven was.

Het antwoord laat zich wellicht raden: in de jaren 1910 en 1920 behoorde de faun niet zozeer tot de oudheid (hetzij Griekse of Romeins), maar tot het universele domein van mens en dier. In het werk van Hildo Krop is de faun dan ook een terugkerend figuur. Om hier één van deze werken te noemen: de sculptuur van een fluitspelende faun met kikkers (1925) aan de Schermerstraat Amsterdam (Tuindorp Nieuwendam, voormalig schoolgebouw). Ditmaal een voorstelling die geenszins doet denken aan de faun uit Pompeï, die net als Leistikow in een dansbeweging gevangen was. De faun van Krop is juist statisch van karakter, een eigenschap die ervoor zorgt dat dit beeld boven alles een symbolische betekenis uitdraagt. De faun als symbool voor vrijheid en natuur.

(Foto: faun met trekharmonica, Mozartbrug (1927), Amsterdam)