terug naar alle blogs

Architectuur en kunstnijverheid in een ideale maatschappijdoor: Richelle Wansinggepubliceerd op: 19 december 2014

Architectuur en kunstnijverheid in een ideale maatschappij

In de monografie Michel de Klerk; bouwmeester en tekenaar van de Amsterdamse School wordt de kunstnijverheid buiten beschouwing gelaten, alleen het architectonische oeuvre van De Klerk wordt behandeld. Niet alleen zou de kunstnijverheid een zelfstandige publicatie verdienen, zo wordt gesteld, maar deze ‘oeuvresplitsing’ zou ook samenvallen met het gedachtegoed van De Klerk, die het ontwerpen van meubels als een vak apart beschouwde. Hiermee wordt gedoeld op een kort schrijven van Michel de Klerk in Architectura (1917), waarin hij spreekt over de bezwaren die een ontwerper van kunstnijverheidsobjecten voelt, wanneer zijn eigenlijke beroep dat van architect is. De architect is niet gewend aan de kleine schaal en de zachte vormen van het nijverheidsobject, maar bovenal kan hij niet voldoen aan de eisen van het vak, dat ‘eischt een permanente studie en aandacht’.

Het beoefenen van kunstnijverheid vereist permanente studie en aandacht. Een interessant standpunt, waarmee niet zozeer iets gezegd wordt over de hiërarchie van de kunsten, als wel over arbeidsverhoudingen en wat het betekent om een vak uit te oefenen. Is het toeval dat hierin de woorden van Sokrates doorklinken? In De Staat laat Plato de figuur Sokrates de vraag stellen: ‘Wanneer zou je nu met het meeste succes werken: als je je in een bepaald vak specialiseert, of als je je aandacht verdeelt over meerdere terreinen?’ Plato genoot grote populariteit rond de eeuwwende van 1900. Henri Borel (de latere schrijver, toen echter nog slechts dromend van het schrijverschap) noteerde in 1891 in zijn dagboek dat hij Plato had voorgelezen aan de kunstenaar Johan Thorn Prikker. ‘Wat was dat een horizon voor hem om in te zien!’ Borel had hem voorgelezen uit Het Symposium, dat hij zelf aan het vertalen was. Zou in kunstenaarskringen behalve Het Symposium, niet ook uit De Staat zijn gelezen en voorgelezen?

In Plato’s ideale maatschappij legt een ieder zich toe op zijn eigen vakgebied, een gedachte die we ook bij De Klerk aantreffen. Naast uitvoerder van hun vakgebied, behoren de leden uit Plato’s maatschappij tot één van de drie groepen waarin de maatschappij verdeeld is: een geldverdienende, een regerende en een militaire groep. In de ideale staat behoren deze groepen in zuivere harmonie te functioneren. Ook De Klerk heeft het over drie groepen, sterker nog, de strekking van zijn schrijven in Architectura (getiteld ‘De arbeid van den Driebond in verband met het meubel’) is het duiden van de relatie tussen deze drie groepen. Het Driebond wordt gevormd door: kunst (kunstenaar), arbeid (fabrikant) en maatschappij (belangstellende). De Klerk spreekt over de ‘gammele verhouding tussen ontwerper en koopend publiek’. Het ‘koopend publiek’ staat het immers vrij om één meubelstuk te bemachtigen en mee te tronen naar zijn eigen interieur. Een gevreesd interieur, zo schetst De Klerk een beeld van ‘leelijke suites met leelijke ramen en wanden in leelijke huurhuizen. De meest kostbare aankleeding geeft dan niets, zij schept geen atmospheer of karakter.’

Boven alles schetst De Klerk hiermee het eigen karakter van het beroep meubelkunstenaar, die zich geconfronteerd ziet met deze moeilijkheid. Wordt het hem haast niet onmogelijk gemaakt zuivere interieurkunst te scheppen, wanneer zijn schepping in ‘zo’n interieur’ geplaatst wordt en daarmee te niet gedaan? En wat zegt dit over De Klerks opvatting over de bouwkunst? Zou hij van mening zijn geweest dat de bouwkunst zich veelmeer leende voor zuivere beroepsuitoefening? De bouwkunst als meest zuivere kunstvorm, niet vanwege een hiërarchie van de kunsten, maar omdat het in deze (niet ideale) maatschappij de enige vrije kunstvorm was.