terug naar alle blogs

180 graden momentendoor: Jos Gadetgepubliceerd op: 14 november 2014

180 graden momenten

Onze redacteur fietste met haar hondje naar de Sloterplas. Op het Mercatorplein (architect Berlage), het centrum van het Plan West en evenals Plan Zuid geheel volgebouwd met prachtige al of niet verstrakte Amsterdamse Schoolbebouwing, werd haar blik en daarmee bijna haar fiets, met hondje en al het perspectief van de Hoofdweg (architect Wijdeveld) ingezogen. Om daarna ‘de stad uit te rijden’. Wat gebeurde daar precies op dat moment? We vroegen het aan Jos Gadet, hoofdplanoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening in Amsterdam. Hij is ook auteur van het zeer lezenwaardige boek Terug naar de stad, geografisch portret van Amsterdam. Amsterdamse School en stedenbouw dus deze keer. En de opgaven van dit moment.

 

Over stad, groei en remmende 180°-momenten

Jos Gadet

 

Het 180°-moment Orteliuskade bij Jan Evertsenstraat

Jan Evertsen MercatorJan Evertsen West

Amsterdam is tot aan de Tweede Wereldoorlog concentrisch uitgebreid. Na de Middeleeuwen volgen de 17de, 18de, 19de eeuwse gordels en de Amsterdamse Schoolgordel ’20-’40 elkaar concentrisch op en sluiten ze voor het overgrote deel aan op het stratenpatroon van de voorafgaande bouwperiodes.

Met de naoorlogse uitbreidingsgebieden van het Algemeen Uitbreidingsplan Plan komt een definitief einde aan de eeuwenlange concentrische stadsuitbreiding. De functionalistische stad is losgekoppeld van de stad die organisch gegroeid lijkt.

Volgens velen wordt de gemengde stad begrensd door de Ringweg A10 en de metroring. Deze infrastructuurbundel zou ook de oorzaak zijn van de grote sociaaleconomische verschillen tussen de gemengde vooroorlogse stad en de naoorlogse stad die zich kenmerkt door functiescheiding.

Volgens mij ligt de oorzaak veel eerder bij de abrupte overgang tussen de vooroorlogse en de naoorlogse delen van Amsterdam.  

Het mooist is die loskoppeling te zien op de kruising van de Jan Evertsenstraat en de Orteliuskade. Kijk je vanaf de Orteliuskade richting Mercatorplein, dan zie je een relatief levendig stuk van de stad, met winkels in de plinten en gevarieerde bebouwing. Draai je 180° op dezelfde plek dan houdt die levendigheid per direct op. Uw redacteur ervoer dit moment één hoek eerder, namelijk op het Mercatorplein al.  

Het straatkamerprofiel van de vooroorlogse stad met straatwanden van gesloten bouwblokken en verschillende bestemmingen in de plinten, verdampt in één seconde. Daarvoor in de plaats verschijnt een zee van deels geasfalteerde, deels groene ruimten zonder bestemmingen en dus zonder mensen anders dan noodzakelijke passanten.

Bij het 180°-moment van de Jan Evertsenstraat, kijkend in de richting van de Sloterplas, is het nog een eindje lopen naar de Ringweg en het Ringspoor. Het is niet de barrièrewerking van de Ring die de ontwikkeling van de Tuinsteden tot attractief woonmilieu in de weg staat, maar het feit dat de functionalistische stad niet aansluit op het organische stedelijk weefsel. In Berlijn, Londen en New York zijn voorbeelden te over van infrastructurele ‘barrières’ die geen belemmering blijken te zijn voor de organische stadsontwikkeling. In Parijs is er doorgaans geen verschil in stedelijk weefsel binnen respectievelijk buiten de Boulevard Périphérique.  

Dit soort 180°-plekken zijn er veel in Amsterdam: ze markeren de abrupte overgang en loskoppeling van de functionalistische stad met de gordel ’20-’40 (vaak Amsterdamse School) als laatste uitloper van de ‘organisch’ gegroeide concentrische stad. Loop maar eens over de Lelylaan, de Beethovenstraat, de Spaklerweg,  de Heemstedestraat, de Postjesweg of de Aalsmeerweg. Je kruist telkens weer het 180°- moment.  

180° - moment Aalsmeerweg

 Aalsmeerstraat CentrumAalsmeerstraat Zuid

Het hechten van deze ‘ijle zone’ tussen de voor- en naoorlogse stad is momenteel  een belangrijke ruimtelijke opgave. Omdat deze ‘Ringzone’ dichtbij de gemengde delen van Amsterdam ligt, omdat de bereikbaarheid goed is en omdat hier daadwerkelijk nog ruimte is voor nieuwbouw en transformatie (van leegstaande kantoorpanden). Maar vooral ook omdat daarmee de naoorlogse stad ontsloten wordt als woonmilieu om de toeloop naar de hoofdstad te huisvesten. Dat zal gepaard moeten gaan met hier en daar verdichting en menging zonder het karakter van deze gebieden uit te wissen.

Daarmee kan Amsterdam ook qua formaat een rol spelen op wereldniveau. Omdat dat leuk is? Wellicht. Maar bovenal omdat de Amsterdamse kenniseconomie méér gemengde en aantrekkelijke woon-werkmilieus nodig heeft. De Amsterdamse Schoolbuurten en wat daaraan grenst spelen daarin een ‘kantelrol’.