terug naar alle blogs

Brusseldoor: Richelle Wansinggepubliceerd op: 16 september 2014

Brussel

Terwijl ik door Brussel liep en steeds meer doordrongen raakte van de enorme rijkdom aan Art Nouveau en Art Deco, struikelde ik ineens over het begrip Art Deco. Dit gebeurde toen het door mijn hoofd schoot dat de Amsterdamse School wel wordt omschreven als de Nederlandse Art Deco. Omdat ik in België niets had aan een dergelijke definiëring over een Nederlandse architectuurstroming, draaide ik de formulering om, zodat de Belgische Art Deco een variant op de Nederlandse Amsterdamse School werd. Over het niet opgaan van die omkering struikelde ik.

In Brussel zijn de Art Nouveau en Art Deco als twee handen op één buik. Zonder één van de twee geen Brussel. En misschien ook wel: zonder Art Nouveau geen Art Deco. Deze gedachte formuleerde ik om mezelf op weg te helpen naar een begrip van waarom de omkering niet opging. Zojuist had ik het Hortamuseum bezocht, hoogtepunt van de Art Nouveau. Het woonhuis annex atelier dat de architect Victor Horta voor zichzelf ontworpen had. Een beetje verliefd was ik wel, met name op het trappenhuis. Het gebouw bestaat niet simpelweg uit verschillende woonlagen, want ook de ruimtes op één etage verspringen weer, zo ligt de voorkamer op een ander niveau dan de achterkamer. Het trappenhuis lijkt hiermee de natuur van een boom te volgen, waaraan de ruimtes als takken ontspringen. De organische aard van de Art Nouveau is dan ook niet alleen gelegen in de stilistische taal (de zogenaamde zweepslag), maar ook in dit begrip van organisch construeren. In dit geval een trappenhuis als een boom.

Terwijl ik van de Art Nouveau een goed beeld had, volgde uit het uitgangspunt ‘zonder Art Nouveau geen Art Deco’ vervolgens de vraag naar de vernieuwing die de Art Deco bracht. Net als voor de Art Nouveau, geldt voor de Art Deco dat zij veelmeer is dan louter een stilistische taal. Tegenover het organisch construeren van de Art Nouveau, lijkt de Art Deco zich te kenmerken door een opvatting van constructief uitwerken. Zij behelst een meer functionele benadering, waarin niet het scheppingsvermogen van de natuur vooropgesteld wordt, maar dat van de scheppende mens, die zijn constructieve bouwstenen in de geometrie vindt.

Uit de afzonderlijke karakteristieken van de Art Nouveau en Art Deco, de respectievelijke nadruk op het organische en constructieve, wordt ineens duidelijk waarom de eerder genoemde omkering niet opging. Het begrip Amsterdamse School is veel te breed om gelijk te stellen aan de Art Deco. Zowel het organische begrip van de Art Nouveau als het constructieve begrip van de Art Deco komen in de Amsterdamse School tot uiting. Dat de Amsterdamse School gelijkgesteld wordt aan de Art Deco is er eerder een gevolg van dat de Amsterdamse School zich zo lastig laat definiëren, dan dat hiermee recht wordt gedaan aan de stroming. De gelijkstelling van Amsterdamse School en Art Deco lijkt zo eens te meer te onderstrepen dat er nog altijd geen goede definiëring van de Amsterdamse School bestaat, die recht doet aan haar complexiteit en veelzijdigheid.